Stress: boosheid, angst, schaamte – gidsen van ons onderbewuste

In TransScripts by Wim van Dam

Vóór de mensen verschillende talen spraken was er één taal die we toen -en nu nog steeds- spraken: die van de emoties. Op het gevoelsniveau verwerken we informatie razendsnel en intuïtief. De emoties van angst, boosheid en schaamte zijn daarin leidend.

Een diepe kennis van deze emoties brengt ons naar de fundamenten van ons bestaan. Door de onderbewuste betekenis te duiden, krijgen we een beeld van wie we werkelijk zijn.

Opvallend aan de genoemde emoties is dat er een directe verbinding is met ons lichaam: bij boosheid trekken onze spieren zich samen, de hartslag verhoogt zich, we willen aanvallen etc. Bij angst worden we bleek, stijf en gespannen, koud zweet breekt uit, we trekken ons liefste terug van het gevaar. En dit is interessant genoeg grotendeels in tegenspraak met schaamte, waar we rood worden, het warm krijgen en gaan zweten, maar waarbij we ook wel willen wegzinken in de grond of een andere diepe duisternis. We ‘krijgen een kop als een vuurtoren’ en sommige mensen blozen zelfs tot in hun nek of over hun hele bovenlijf.

Emotioneel spectrum

Boosheid, schaamte en angst kennen meerdere lagen. Zo kan je geïrriteerd zijn, je ergeren, een milde boosheid of je intens boos voelen. Deze staten zijn op zichzelf louter een staat van zijn; alsof er een signaal wordt afgegeven dat er iets niet klopt. Maar woest of furieus zijn is een andere kwaliteit – daar wordt vanuit de boosheid geacteerd, er wordt iets mee gedaan, maar de emotie op zichzelf veroorzaakt dat niet. We kunnen immers onze boosheid ook beheersen.

Emoties komen vanuit het onderbewuste

Vanuit Darwin en het geloof van de ‘survival of the fittest’ worden emoties beschouwd als instrumenten, als instincten om mee te overleven. Vanuit een andere invalshoek, namelijk die van ontplooiing en zelfkennis als mens, zijn emoties signalen die ons waarschuwen. Zo kunnen we in lachen of huilen uitbarsten (of allebei tegelijk), terwijl we eigenlijk niet weten waarom. Waarom lachen we om een grap?

Hiermee raken we aan de essentie van emoties; het zijn antwoorden op speciale situaties in het leven. Ze spreken niet met woorden, maar zijn wel heel expressief – en alle mensen over de hele wereld ervaren dezelfde emoties. Ooit, nog voor de toren van Babel waar bij de bouw ervan de mensheid in vele talen verstrooid werd (het mythische verhaal uit de Bijbel, zie Genesis 11[1]), spraken we ‘één taal en weinig woorden’. Die taal van de emoties spreken we allemaal nog steeds, op een heel krachtige wijze die we niet kunnen negeren.

Angst, haat, schaamte, lachen, huilen: het zijn allemaal verschillende aspecten van onze ziel. Elk heeft een ander voorkomen, zoals de regen anders is dan de sneeuw, hagel en donder. Maar ze spreken allemaal een taal die we onmiddellijk begrijpen, zowel bij degene die hem ervaart, als bij de ander die de emotionele uitbarsting ziet.

De aard van boosheid

Boosheid en woede bestaan al heel lang. In mythische verhalen worden goden deze kwaliteit toegedicht; denk bijvoorbeeld aan Wodan of Thor met zijn hamer en Zeus met zijn bliksem. Moraliteit, morele waarden bestaan dus ook al heel lang, want we worden boos als er een morele grens wordt overschreden.

Ergernis is als een zaadje dat, wanneer die meerdere keren op een dag wordt geactiveerd, kan leiden tot een woedende uitbarsting. Maar boosheid heeft, in tegenstelling tot de wat bleekgrijze ergernis, veel meer ‘kleur’.

Boos worden we wanneer de ‘boze buitenwereld’ zich tegen ons keert, als we voelen dat hetgeen gebeurt onjuist, boosaardig of slecht is. Het kan zich verheffen tot een heilige woede, of verzinken in een storm van woestheid en furie. Boosheid heeft iets nobels in zijn voorkomen.

Het interessante is dat als we boosheid ervaren we nauwelijks woorden hebben om ons uit te drukken. We zeggen wel van alles, maar pas als we weer bij onze zinnen zijn gekomen, stelt het weer wat voor. De boosheid zelf is het antwoord.

Net als lachen en huilen is boosheid heel sterk, het neemt ons over. We moeten ons uiterste best doen om ons lachen of onze tranen in te houden, of onze woede te temperen. Maar boosheid op zichzelf valt een ander persoon niet aan, tenzij we furieus worden. En dat gebeurt als we niet in staat zijn om onze boosheid rationeel te maken.

Boosheid denkt niet uit zichzelf, heeft geen imaginatie, wil niet kwetsen. Al deze dingen gebeuren als een resultaat van de boosheid, als gevolg van de haat die de boze persoon opbouwt jegens de ander, maar is geen actie van de boosheid zelf. Zo kan je boos zijn op de overheid, maar pas als je die lang koestert, wordt de wrok mogelijk haat die overgaat in actie. Haat is de echte oorzaak.

Zowel lachen als huilen gebeuren als we geen antwoord op de situatie hebben, en zo geldt dat ook voor boosheid. Boosheid komt voort uit hulpeloosheid en komt omhoog in onze ziel als een gloeiend vuur en vult ons met afschuw en weerzin tegen de gebeurtenis of de persoon die iets heeft gedaan. Na enige tijd gaat het weer liggen, maar er kunnen restanten van haat of stress overblijven, welke overigens ook in vergeving kunnen uitmonden.

Deze boosheid is als een onweer die onze hele persoonlijkheid vult en overneemt. In het landschap van onze ziel zijn irritatie en ergernis als de wolken die zich samenpakken, en als dat onweer zich ontlaadt, of overdrijft, sterft het langzaam uit in de verte.

De gidsfunctie van boosheid

We vinden er iets van, als we boos zijn geworden. De kwaliteit van dat ‘vinden’ is een soort vaderlijke autoriteit, een ouderlijke eigenschap, en we kunnen niet bozer worden dan als onze kinderen iets overkomt. Boosheid is een realiteit die zich zonder woorden machtig uitdrukt. Wanneer boosheid opkomt, verdwijnen alle andere gevoelens, ze maken zich uit de voeten naar de uithoeken van het zielslandschap.

Onze innerlijk zelf staat alleen in de tegenwoordigheid van boosheid. Het voelt als een kind dat alleen staat en wiens vader gekomen is om hem te beschermen. We accepteren zijn bescherming, hulp en kracht. Daarom zijn de beelden van Wodan, Thor en Zeus aantrekkelijk voor ons.

Woede is een goddelijke kwaliteit, omdat het een morele kwaliteit is, zoals ook liefde dat is. We komen met liefde en boosheid op de wereld en boosheid kan veel goeds brengen. Het kan in vergevingsgezindheid omslaan, zeker wanneer het begrepen en gerationaliseerd is. Boosheid op zichzelf is een nobel iets, mits het niet vervalt tot haatdragerij, woestheid en geweld.

Het is interessant dat onze bloeddruk stijgt als we boos zijn. De hersenen krijgen meer zuurstof en na onze boosheid zien we de zaken helderder. Maar als we onze woede vasthouden (iets op de lever hebben)  kan dat resulteren in allerlei stress gerelateerde klachten.

Boosheid is dus betrokken op moraliteit en checkt onze persoonlijke waarden. Liefde is van een heel andere aard, zij is juist blind en geeft zich aan alles. Boosheid ziet juist heel scherp, maar is sprakeloos. Pas als je boosheid over is kun je weer normaal met iemand praten en er ook naar luisteren. Boosheid blokkeert dat.

Maar boosheid brengt duidelijkheid over waar je moreel staat. In die zin is het een hulp, een gids.

Het fenomeen angst en schaamte.

Naast boosheid zijn angst en schaamte emoties die ons leiden naar onderbewuste gebieden. Angst is altijd gerelateerd aan een object; we zijn bang voor iets. Stress daarentegen is onbestemd en is een meer generieke emotie. Als we angstig zijn worden we koud (‘koud zweet breekt ons uit’) en bleek. Het immobiliseert ons (‘als aan de grond genageld’). Het geeft een verpletterende indruk.

Schaamte geeft ons een geheel tegenovergestelde ervaring. Het warme zweet breekt ons uit, we worden rood en blozen. Angst en schaamte zijn als dag en nacht op elkaar betrokken en we kunnen beiden niet rationeel verklaren.

Het nut van angst en schaamte

Maar het maakt ons wel iets duidelijk. Onze gedachten kunnen het niet aan als iets onmeetbaars opdoemt dat de schaamte of angst activeert, we denken aan schuld, aan leven en dood, aan God en onze wandaden. Ons schuldbewustzijn zet ons in rep en roer. We voelen dat een geheel nieuwe sfeer van bewustzijn zich opent, maar we kunnen niet verder hierin kijken. Een deur opent zich naar gewoonlijk verboden gebied. We durven nauwelijks te bewegen en snel slaan we de deur weer toe.

Angst heeft iets dat ons uit elkaar trekt, zoals moed als tegenovergestelde pool juist iets concentrerends heeft. Aristoteles noemde angst iets bedrukkends, een vorm van verwarring. Als je angstig bent vergeet je jezelf, je probeert niet alleen weg te komen van het gevaar, maar ook van jezelf. Angst is één van de emotionele wortels van religie; de mens nadert tot de Godheid ‘in angst en beven’. Als je je onbeschaamd verheft, ‘daalt de wraak van de Godheid op je neer’ – en we bedenken ons wel twee keer, als we dat goed doorvoelen, om ons té frivool op te stellen.

Het is het onbekende wat ons het meest angst aanjaagt. Er zijn ook fobieën, geconditioneerde angsten uit vroegere ervaringen, die tot iets concreets te herleiden zijn. Maar angst is verbonden met het ‘onbekende’.

Op deze wijze beschreven naderen we door onze angst iets dat ‘onbekend’ voor ons is. Angst is iets dat boven ons uitstijgt, een grens zet waar we niet aan voorbij kunnen gaan. We kunnen deze grens gewaar worden, maar er niet aan voorbij. Stress, in de zin van burn out, is een soort van voorafschaduwing van de doodstrijd, omdat we bijna niets meer kunnen. Het slaat de grond onder je voeten weg en laat je bungelen tussen hier en nergens. Angst gaat echter een stap verder. Het is de voorafspiegeling van het stervensproces zelf en naar wat zich achter die grens afspeelt. Waar stress ons naar de deur leidt, maakt angst die deur open en laat ons in de peilloze diepte kijken waar het leven de dood ontmoet. En we klampen ons vast aan de rand die leven heet.

Schaamte kent andere, bijzondere, kwaliteiten. Als we ons schamen zijn we in verwarring. We voelen dat onze wil is overmand en voelen ons hulpeloos en zwak. We durven de ander niet aan te kijken en kunnen de blik van de ander niet verdragen. We stotteren en stamelen. We verbergen ons gezicht en vermijden de blik van de ander.

‘Hij kreeg een kop als een vuurtoren’ beschrijft heel adequaat de verbinding met ons innerlijk licht dat we herkennen in een person die zich schaamt. We voelen aan dat die persoon overweldigd wordt door een plots gevoel van bescheidenheid; hij erkent de bescheidenheid van zijn bestaan.

Schaamte verbindt ons met onze menselijkheid. We hebben, niemand uitgezonderd, een wat groter zelfbeeld dan wie of wat we werkelijk zijn. Dus ontstaan er situaties waarin dit beeld wordt getest. Dan vervult schaamte onze ziel – niet verlegenheid, dat is iets heel anders. Schaamte zet ons weer op onze plek.

We willen ons wel verbergen, maar we lichten op, zodat iedereen ons ziet. We staan ‘naakt’, of ‘in ons hemd’. Daarom trekt ‘een rode blos over ons gezicht’, zodat we ons weer verbergen, of we verbergen letterlijk ons gezicht achter onze handen of in onze armen. Schaamte brengt ons terug naar de basis van ons bestaan en leert ons onze plek, in plaats van ons te verheffen. Het regelt ons ego en ons lagere zelf. Schaamte is een gids.

Je beschaamd voelen is een iets andere gevoel dan schaamte en komt meestal voort uit een innerlijke overweging van moraliteit en een gevoel van schuld; we voelen ons gekwetst en ingetogen, naar binnen gekeerd. De plotselinge en onwillekeurige emotie van schaamte overkomt ons meer en het blozen lijkt los te staan van morele waarden. Blozen komt meer voor bij jeugdige mensen en heeft een zachte kwaliteit, terwijl je beschaamd voelen, in verlegenheid gebracht worden, een meer mentale, ‘hardere’ afweging kent.

Schuld

Een schuldgevoel is geen schaamte, maar kan optreden ná schaamte. Schuld komt vanuit twee gebieden; van binnen, vanuit de ziel of van buiten, vanuit de maatschappij. Eigenlijk ontstaat een schuldgevoel na boosheid, omdat nadat we door de boosheid realiseren dat we onze morele standaard niet hebben gevolgd er een schuldgevoel kan opkomen. Wanneer we niet ‘hoogstaand en liefdevol’ zijn opgevoed en ons ontwikkeld hebben, maar zijn grootgebracht met veel uiterlijke druk (kerk en wetgeving) en daardoor veel morele innerlijke en uiterlijke regels breken, leven we met veel schuldgevoel.

Schaamte en levensgevoel

Iemand wordt door schaamte overvallen en kan zeggen: “Ik schaam me voor wie ik ben.” Dit is een sleutel voor het begrijpen van schaamte. We worden als het ware geconfronteerd met een rechter van een hogere orde dan waar we zelf staan. We worden geconfronteerd met hoe we niet zouden willen zijn, maar we zijn het wel. Maar waar zijn we dan beschaamd over?

Als we blozen staan we van aangezicht tot aangezicht met ons eigen zelf. We herkennen ineens onze menselijkheid en ons menselijk bestaan. We realiseren ons dat we naakt zijn geboren (vergelijk het woord “schaamstreek”) en dat we dit leven als naakte en hulpeloze wezens zijn binnengekomen. Dit is het bewustzijn dat in de onmiddellijke achtergrond staat bij het blozen van schaamte. Zoals Adam en Eva zich schaamden en zich bedekten.

Zo weten wij ook van onze geboorte die ons in dit aardse leven bracht. Ik ben een wezen, gecreëerd en geboren. Dit is de verborgen realisatie achter elke uiting van schaamte. Blozen brengt de tragedie van het geboren worden weer in gedachten – we zijn naakt en imperfect. Zelfs als we nooit van de ‘zondeval’ zouden hebben gehoord, dan nog zou de ervaring van zich schamen ons de plotselinge ervaring die ons naar het begin van ons bestaan brengt ons er op wijzen.

Geboorte en dood worden liggen in het diepst van onze ziel verborgen. Wanneer gevaar opdoemt, komt de angst naar boven. Wanneer we op waarde geschat worden, getaxeerd worden door anderen, komt het geboortegevoel naar boven in de vorm van schaamte. En tussen die twee proberen we onze lotsbestemming op koers te houden. Elke persoon staat tussen deze twee ervaringen die elk moment van ons leven bereid zijn zich te manifesteren.

Emoties als gidsen van het lagere zelf

In de esoterie wordt een onderscheid gemaakt tussen het hoger en het lager zelf. We laten ons hoger zelf bij de geboorte achter aan de andere kant van de poort en we treden het aardse leven binnen met ons lager zelf. Dit ontwikkelt zich aan de hand van de indrukken die het opdoet, lichamelijk en zintuiglijk, en is het resultaat van al wat onze ziel ontwikkelt in denken, voelen en willen hier op deze aarde.

Ons hoger zelf aan de andere kant, inspireert ons voor onze roeping, onze ‘missie’. Onze verdrietige en blijde ervaringen worden door ons hoger zelf vanuit de spirituele werelden geïnspireerd. Onze hoger zelf gidst ons leven door plezier en pijn heen en van het ene ontwikkelstadium naar het andere, vanaf onze geboorte. We zijn ons hier tijdens ons leven nauwelijks van bewust. Na de dood worden we weer één met ons hoger zelf.

In angst en schaamte echter, worden we ons vaag bewust van dit hoger zelf. In schaamte lichten we op, we bedekken ons gezicht met een blos, wat ons op een bepaalde manier ons beter doet voelen; achter onze naaktheid komt iets hogers te voorschijn, ons hoger zelf. In schaamte kijken we terug naar onze geboorte.

Als we verstijven van angst kijken we vooruit naar de dood. We worden ons bewust van de beperkte tijd hier op aarde. We worden herinnerd aan de dood, maar ook aan de uiteindelijke hereniging met ons hoger zelf.

Als kinderen vonden we het leuk om te huiveren van angst, omdat er een raar element van bevrediging met angst verbonden is. Het vertelt ons over ons einde hier, maar ook over een nieuw begin, omdat we ons terug vinden in de liefdevolle armen van ons hoger zelf.

Angst ontwikkelt zich tot respect en is in die zin verbonden met liefde, die ook respectvol is. Schaamte en angst zijn daarmee de twee gidsen van ons lagere zelf. Ze zijn als de grenzen van ons denken en bewustzijn. Zodra er een incident of schok optreedt komen angst en schaamte omhoog, spreken hun waarschuwende taal en trekken zich dan weer terug.

Deze twee vriendelijke wezens uit ons onderbewuste begeleiden ons lager zelf tot het genoeg kracht heeft ontwikkeld om zonder te kunnen: om gevaar zonder de angst voor de dood tegemoet te treden en om zelfherkenning te ervaren zonder de blos van schaamte.

We kunnen nu zowel angst als schaamte als de twee familieleden van boosheid zien. Net zoals boosheid optreedt als we een situatie niet goed op zijn morele waarde kunnen schatten, zo treden angst en schaamte op als we niet sterk genoeg zijn om gebeurtenissen tegemoet te treden.

Boosheid, angst en schaamte zijn onze goede begeleiders. Voor ons uit loopt boosheid, die onze morele oordelen gidst. Rechts van hem gaat angst, links de schaamte. Ze zijn er alleen als we ze nodig hebben. Ze zijn de drie goede dienaren van ons hoger zelf; ze geven hulp zolang ons lager zelf dat nodig heeft.

Ons onderbewustzijn herbergt deze drie begeleiders in de diepte van onze ziel. Deze diepte zelf is gevuld met de kracht van stress en levensangst. We moeten wel leven in een staat van levensangst en het is alleen maar de vraag of het ons overkomt  en we erin wegzinken of dat we ons erboven kunnen verheffen.

We kunnen ons nu onze individualiteit voorstellen; het lagere zelf voorafgegaan door boosheid, geflankeerd door angst en schaamte en tredend op de grond van levensangst. Dit zijn de vier grote emoties die ons allemaal begeleiden in ons leven op aarde.

Ons lager zelf is de menselijke geest die zich wil verbinden met ons hoger zelf, het goddelijke zelf. Angst en schaamte verbinden de menselijke met de goddelijke geest. Boosheid is de motiverende kracht van moraliteit, waarmee de menselijke geest in waardigheid voorwaarts kan gaan. Dit beeld ligt in ons onderbewuste.

Het allereerste bestaan

Deze vier emoties begeleiden ons al vanaf het allereerste bestaan. De tragedie van geboorte en dood staat aan het begin van onze ontwikkeling, maar als we het Bijbelse verhaal van de verstoting uit het paradijs volgen heeft God ons een deel van zijn boosheid geschonken om ons terug te leiden naar ons spirituele bestaan. Onze zielen begrijpen dat pas als we boosheid hebben omgezet in liefde, schaamte in hoop en angst in vertrouwen (geloof), we weer toegang hebben tot het paradijs, een plaats van vrede voor onze ziel.

Conclusie

Dit inzicht is van belang voor onszelf, en bij het begeleiden van andere mensen. Hoe kan ik voorbijgaan aan wat ik meemaak, of de ander aan wat hij of zij meemaakt? Door ons te realiseren dat angst een oproep is om vertrouwen te hebben, schaamte wijst naar de behoefte aan hoop, en boosheid ons bewust maakt van de behoefte aan liefde.

Tekst: Wim van Dam, gebaseerd op een lezingenserie van Mario schoenmaker: ‘The Fabric of the Human Soul’.

Meer weten over stress, wie je bent en hoe je meer naar je innerlijke waarheid kunt leven: www.ctpl.nl. Weekendcursus 8 en 9 december, Bilthoven.

[1] Zie afbeelding: de Toren van Babel, schilderij van Pieter Brueghel, ca. 1563

8 en 9 december 2018: Weekendcursus Stress & Spiritualiteit, Bilthoven. www.ctpl.nl

Deel dit bericht